

Eerste Huis Issoudun



Wollenstoffen fabriek













|
|
GESCHIEDENISOVERZICHT
VAN DE NEDERLANDSE MSC PROVINCIE
Wie zich verdiept in de
Nederlandse
MSC Provincie staat verwonderd over de ontwikkeling die zich in 125
jaar heeft voltrokken.
Tussen 1880, toen de Congregatie naar Nederland vluchtte, tot het
jubileumjaar 2004 zien we achtereenvolgens een snelle start, een
periode van missionaire bloei, een tijd van consolidatie, omslag en
heroriëntatie en vragen naar de toekomst.
Vliegende start
De tweede helft van de 19e eeuw is een belangrijke tijd voor
katholieken in Nederland. Na jaren van maatschappelijke achterstelling
beginnen zij hun identiteit te hervinden en claimen zij hun plaats
binnen de samenleving. Ofschoon niet alle beperkende wetten worden
opgeheven, stemt de overheid in met de benoeming van landeigen
bisschoppen. Religieuzen die in Frankrijk en Duitsland hun eigendommen
zien opgeëist door de staat, zoeken een heenkomen in
Nederland; zo
ook de Missionarissen van het heilig Hart (MSC). De komst van al deze
vreemdelingen brengt echter onverwacht een toestroom van kandidaten
voor het priesterschap en het religieuze leven op gang. Na een
tijdelijke huisvesting achtereenvolgens in Haaren en in een van de
wolfabrieken in Tilburg, wordt er in 1889 een blijvende oplossing
gevonden: het Missiehuis. Gebouwd met de enthousiaste medewerking van
de overwegend katholieke bevolking van Tilburg, draagt het de
uiterlijke kenmerken van het reveil van die dagen. Zodra het
constructielawaai is stilgevallen, dient het missiehuis als
apostolische school en als bestuurscentrum voor de Noordelijke MSC
provincie en wanneer de missieactiviteiten eenmaal op gang komen, vindt
ook de procuur hier een plek. Vanuit Nederlands perspectief mag de
oprichting van de Noordelijke MSC provincie (1894) gezien worden als
een stap voorwaarts naar een missionaire kerk. In 1897 wordt de Duitse
MSC een zelfstandige provincie, in 1919 volgt de oprichting van de
Nederlandse provincie en twee jaar later is ook de Belgische provincie
een feit.
Vrijwel vanaf het begin van de 20e eeuw worden er missionarissen
uitgezonden: naar de Molukken (1902), en snel daarop naar
Oceanië
en Nieuw Guinea (1905), de Filippijnen (1908) en Brazilië
(1911).
Onder de missionarissen van het eerste uur bevindt zich een groot
aantal broeders. Hun pionierswerk wordt de basis waarop generaties van
Nederlandse en landeigen confraters later zullen voortbouwen.
Bloei
De periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog wordt wel 'het
groote Missieuur van de Nederlandsche kerk' genoemd. In 1919 trekken
Nederlandse missionarissen naar Celebes en twee jaar later naar
Midden-Java. Onze oriëntatie op de missies in het buitenland
drukt
een stempel op het leven en het werk van de Nederlandse provincie: onze
missies groeien dankzij ons en wij groeien dankzij onze missies. We
presenteren onszelf als een missionaire congregatie en dat heeft
gevolgen voor onze beeldvorming en voor het grote aantal jonge mensen
dat we aantrekken. We openen een tweede apostolische school in
Driehuis-Velsen (1924). De filosofie en theologie-opleiding, sinds 1914
samen in één huis gevestigd, vragen ieder om
ruimere
huisvesting: de filosofie blijft in Arnhem, de theologie verhuist in
1922 naar Stein. Bovendien wordt in 1927 het noviciaat voor de paters
gevestigd in Berg en Dal; dat van de broeders blijft in Tilburg. Aan
roepingen ontbreekt het ons niet: in de jaren '30 halen we een
gemiddelde van 16 priesterwijdingen per jaar en ook het aantal broeders
neemt gestaag toe. De groei van onze opleidingshuizen legt echter een
zware claim met name op de broeders. Door hun inzet in keuken,
boerderij (voedselvoorziening!), kleermakerij, schoenmakerij en door
hun zorg voor het onderhoud en schoonhouden van gebouwen is het
mogelijk de huizen - vooral de vormingshuizen - materieel draaiend te
houden. Hun bijdrage is zo essentieel, dat het nu - tachtig jaar later
- nauwelijks te begrijpen is dat zij zozeer op een tweede plaats
kwamen. Die tijd ligt gelukkig ver achter ons. Terwijl ze in onze
missies in Brazilië en Indonesië en in mindere mate
in de
Filippijnen niet ontbreken, blijft het overgrote deel van de broeders
toch werkzaam in Nederland.
Oorlogstijd
De Tweede Wereldoorlog (1939-1945) heeft gevolgen zowel voor MSC in
Nederland als voor de missies overzee. De apostolische scholen van
Driehuis en Tilburg worden opgeëist door de bezetter. Paters,
broeders en leerlingen vinden onderdak in Hilvarenbeek, Westervoort en
Driel. Aan de theologie-opleiding die plaats vindt in Stein, wordt in
augustus 1940 een jaar van pastorale vorming in Arnhem toegevoegd. De
filosofie-opleiding verhuist van Arnhem naar Heino (1942). Vandaar zou
tien jaar later weer een eigen huis worden betrokken in Brummen.
De oorlogsjaren laten niet toe dat er missionarissen worden uitgezonden
naar de missies. Er komt daardoor ruimte voor een nieuw pastoraat
binnen de Nederlandse provincie: het werk onder doopleerlingen. Al
vóór de oorlog zijn er initiatieven op dat
terrein
(Arnhem 1924), maar van nu af worden bestaande activiteiten gebundeld
en uitgebreid onder de naam 'Una Sancta'. Speciale MSC-huizen worden
opgericht voor dit pastoraat in Rotterdam (1942), Den Haag en Eindhoven
(1943), en na de oorlog in Hilversum en Apeldoorn. Wanneer de oorlog
ten einde is, ontwikkelt het Una Sancta werk tot een inzet voor de
oecumene. En wat de missies betreft, we halen onze schade in: in 1946
zenden we zestig missionarissen uit!
Onze oorlogsverliezen liggen echter vooral in het buitenland. De
Japanse bezetting van Nederlands Oost-Indië kost 27 MSC-ers
het
leven. Dieptepunt is de executie van 15 medebroeders op Klein-Kei in
1942. In Indonesië worden alle Nederlandse missionarissen
geïnterneerd. Het zijn vooral Indonesiërs zelf, die
de missie
in stand houden. Onder hen bevinden zich lekenvoorgangers, catechisten,
seculiere priesters, jezuïeten en MSC-ers. Ook op de
Filippijnen
worden de meeste missionarissen in kampen geïnterneerd.
Dankzij de
zorg van Filippijnse vrienden en vaak met gevaar voor eigen leven
houden enkelen zich schuil, terwijl vier in Nederland opgeleide
Filippijnse medebroeders het werk voortzetten.
Na-oorlogse ontwikkeling
Na de oorlog komt er in onze missies van Brazilië,
Indonesië
en de Filippijnen een nieuwe ontwikkeling op gang: welbewust werken
naar zelfstandige provincies. Vooral onder dit opzicht is Mgr.
Verhoeven een stimulerende kracht, eerst als overste van de Nederlandse
provincie, later als bisschop van Manado, Indonesië. De
ontwikkeling tot autonome provincies is niet meer te stuiten. Ze
verloopt het snelst in Brazilië dat in 1946 provincie wordt.
In
1950 wordt het vicariaat van Nederlands Nieuw-Guinea opgesplitst in de
vicariaten Ambon en Merauke. Al doende bedient MSC in het onafhankelijk
geworden Indonesië (1946) vier grote gebieden. In 1956 krijgt
de
Filippijnse missie de status van vice-provincie.
In Nederland tonen de jaren vijftig een onverminderd Una
Sancta-pastoraat en een uitbreiding van het parochiewerk. Het rectoraat
in Berg en Dal wordt parochie (1949). In 1929 nam MSC de pastorale zorg
op zich van de arbeiderswijk Tivoli in Eindhoven. In 1952 blijkt het
aantal parochianen daar vertienvoudigd. Dat leidt tot de oprichting van
een tweede MSC-parochie in die wijk. Eenzelfde ontwikkeling doet zich
voor in Sittard: het rectoraat Overhoven-Stadbroek, opgericht in 1922,
wordt opgesplitst (1950). Op onderwijsgebied treedt een belangrijke
verandering op: de apostolische school in Driehuis wordt door de
overheid als gymnasium erkend. De zorg voor het onderwijs wordt
voortaan gedeeld met niet-MSCers.
In 1959 telt de Nederlandse MSC 6 missiebisschoppen, 429 paters, 72
scholastieken en 143 broeders. Het zijn de dagen van groei, van grote
aantallen, zichtbare resultaten en van spectaculair missiewerk,
ondersteund door een netwerk van zelateurs en zelatricen.
Omslag
Het eeuwfeest van de Congregatie (1954) wordt uitbundig gevierd, onder
meer met een heilig Hart-congres in Tilburg. Dan reeds zijn er
duidelijke signalen van kentering: de traditionele Heilig Hartdevotie
verplaatst zich van het centrum van het geloofsleven naar de periferie.
Het leven van gewone mensen vindt steeds minder voeding in de
traditionele devoties. Er wordt gezocht naar een nieuwe verwoording van
het oude geloven. Zowel individueel als gemeenschappelijk komt er een
zoektocht op gang die het geloofsleven in de parochies radicaal gaat
veranderen.
Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) wordt in Nederland met veel
belangstelling gevolgd. Paus Joannes XXIII en het Concilie geven een
krachtige impuls om de kerk bij de tijd te brengen. Voor Nederlandse
katholieken blijkt dit echter niet het beginpunt van de
vernieuwingsbeweging, maar eerder een bevestiging en versteviging van
een ontwikkeling die al op gang gekomen is. Toch leeft er ook spanning
en verwarring; ook in onze eigen gelederen. Mensen hopen op een kerk
met een nieuw en menselijker gezicht; het is een hoop die echter maar
ten dele wordt verwerkelijkt.
In de jaren '70 loopt in het hele land - dus ook bij ons - het aantal
aanmeldingen voor het seminarie en het juvenaat terug. Bovendien
verlaat een betrekkelijk groot aantal medebroeders de congregatie.
Binnen het religieuze leven worden er nieuwe accenten gelegd, waaronder
het maken van eigen, persoonlijke keuzen en het creatief omgaan met
opdrachten die jarenlang volgens een vast stramien verliepen. Een van
ons, impliciet verwijzend naar de koortraditie in onze
opleidingshuizen, beschreef zijn eigen ontwikkeling: "Het was niet meer
voldoende mee te zingen in het koor, van nu af moest ik ook solo
zingen."
In het maatschappelijke, kerkelijke en religieuze leven voltrekken zich
tal van veranderingen en tegelijkertijd komt er een secularisatie op
gang die op dat moment nog moeilijk in kaart te brengen is, laat staan
dat daarop geanticipeerd kan worden. Het is een voorrecht dat we
uitgerekend in deze periode beschikken over een bestuur dat weet in te
spelen op de behoefte en vragen van individuele confraters en van
communiteiten.
Terwijl MSC in Nederland steeds meer grond onder de voeten verliest,
houden we ons in de missies in toenemende mate bezig met het afbouwen
en overdragen van ons werk aan de groeiende kerk ter plaatse. In
Brazilië en de Filippijnen en later ook in Indonesië
krijgen
maatschappelijke bewustwording en diakonie een meer prominente plek
binnen ons pastoraat. In 1971 wordt Indonesië een autonome
MSC-provincie en de Filippijnen in 1980.
De jaren '80 brengen een zekere stabilisering. Er komen nieuwe vormen
van gemeenschapsleven tot stand: het pastorale team van de MSC-parochie
in de Hoefstraat (Tilburg) maakt een bewust beleefd gemeenschapsleven
tot basis van haar parochiële zending; de Effeta-gemeenschap
(Tilburg), bestaande uit zowel MSCers als niet-MSCers zet haar deuren
open voor mensen die voor kortere of langere tijd willen deelnemen aan
ons leven, en de Chesed-gemeenschap (Nijmegen) tracht het MSC-charisma
opnieuw te vertalen en te beleven door een bijbelse en
maatschappij-gerichte "barmhartigheid en trouw" met jonge mensen die in
problemen zijn geraakt. Deze gemeenschappen hebben een stimulerend
effect allereerst naar de deelnemers, maar ook naar de provincie als
geheel.
Heroriëntatie
Begin 2003 zijn er 173 Nederlandse MSCers. Van hen zijn er 129 lid van
de Nederlandse provincie, 19 van de pro-provincie Rio de Janeiro, 15
van de Indonesische, 9 van de Filippijnse en 1 van de provincie Sao
Paolo; 1 medebroeder werkt in Slowakije en 1 in Oostenrijk. Ruim
tweederde van de Nederlandse MSCers woont in Nederland en verwacht mag
worden dat van degenen die in het buitenland verblijven, nog slechts
een minderheid naar Nederland zal terugkeren. Het jongste lid van de
Nederlandse provincie is nu 52 jaar en het is niet aannemelijk dat er
nog nieuwe leden bij komen. Onze huizen in Stein en Arnhem zijn
verkocht en het is onzeker hoelang we het centrale Missiehuis in
Tilburg kunnen blijven bewonen. Tegen een achtergrond van vergrijzing,
vragen we welke toekomst we hebben als provincie: een van afbouwen en
afsluiten, of tekenen zich ook nieuwe wegen af? Tot welke missie acht
MSC zich in staat binnen de multiculturele en multireligieuze
samenleving van de 21e eeuw? We noemen drie aspecten die tekenend zijn
voor onze situatie anno 2004:
- De Nederlandse provincie mag trots zijn op een traditie van goede
samenwerking met de FDNSC-zusters. In de voorbije jaren hebben tal van
ontwikkelingen vorm gekregen. De belangrijkste daarvan zijn de
gezamenlijke zorg voor zusters, paters en broeders die als senioren
speciale verzorging nodig hebben; het Missionair Servicecentrum Tilburg
(MST); een gezamenlijke redactie voor De Brug, ons contactblad voor
familie en vrienden; een kleinschalige opvang van ex-psychiatrische
patiënten in Tilburg; de commissie voor Spiritualiteit; de
Werkgroep voor Gerechtigheid en Vrede; de Financiële
Commissie; de
Stuurgroep voor de Chevalier-familie; de regelmatige bijeenkomst van
basispastores MSC en FDNSC en de driemaandelijkse vergadering van beide
provinciale besturen.
- Rond enkele kringen of communiteiten hebben niet-religieuzen zich
aangesloten tot de Chevalierfamilie. Hun aantal telt weliswaar niet
meer dan 30, ze kennen verschillende wijzen van betrokkenheid. Ze
groeperen zich rond MSC-communiteiten in Tilburg, Arnhem en Sittard.
Een van de zusters samen met een MSC neemt deel aan hun stuurgroep. -
Het Missionair Servicecentrum Tilburg staat in de missionaire traditie
van FDNSC en MSC. Het initiatief daartoe werd genomen ongeveer 12 jaar
geleden door beide congregaties. Enkele professionele krachten verlenen
samen met een grote groep vrijwilligers diensten aan kansarmen in onze
samenleving. Onder hen bevinden zich vluchtelingen en
uitkeringsgerechtigden. Naast cursussen en taallessen, biedt het MST
ook geestelijke verdieping. Steeds gaat het erom de deelnemers aan te
spreken op wat ze kunnen, te luisteren naar hun verhalen en samen met
hen te zoeken naar mogelijke perspectieven.
In een tijd dat in veel delen van onze samenleving kerkelijke tradities
niet meer vanzelfsprekend zijn, beseffen wij de rijkdom van een
spiritualiteit die ons de weg van het hart wijst. Dank zij deze
levensstijl hebben wij meer te bieden dan activiteiten en programma's.
Vandaar de aanhoudende poging onze eigen gemeenschappen te vitaliseren
en te zoeken naar mogelijkheden eigen spiritualiteit te delen met
anderen.
Wie we werkelijk zijn en wat ons inspireert kunnen we nauwelijks
duidelijker weergeven dan met een ritueel uit een van onze vroegere
missiegebieden, de Filippijnen. Bij de Manobo-stam op het eiland
Mindanao bestaat de traditie dat tijdens hun initiatie jonge mensen een
kring vormen rond hun stamoudsten om te luisteren naar hun verhalen. De
stamoudsten vertellen wat zij als het meest waardevolle van hun
stamverband willen doorgeven aan de generatie die na hen komt. Terwijl
een oudste zijn verhaal vertelt, houdt hij een kleine hoeveelheid rijst
in beide handen gesloten. Vervolgens geeft hij de rijst door aan degene
naast hem, die dan samen met het ritueel ook het verhaal van hem
overneemt.
Dat precies houdt ook de Nederlandse provincie gaande tot op vandaag:
vanuit de kring die wij samen vormen, geven wij het grote verhaal van
God door aan mensen om ons heen; het verhaal van God die hart heeft
voor onze wereld.
Ben Verberne msc
|